Een dienstverband eindigt vaak in stilte. Een laatste dienst, een handtekening, weg is de collega. Toch blijft die collega bijna altijd in de zorg werken, bij de buurorganisatie of in jouw regio. Het onderzoek laat zien hoeveel vertrekkers terug willen, hoe weinig er ambassadeur worden en wat een vertrek kost. Cijfers om offboarding uit de administratieve hoek te halen.
De vijf cijfers die je moet kennen
85%. Van de zorgprofessionals die in 2024 vrijwillig vertrokken, bleef 85% in zorg en welzijn werken (49% in dezelfde branche, 36% in een andere). Slechts 15% verliet de sector. Van hen verwacht 65% terug te keren. Bron: RegioPlus, landelijk uitstroomonderzoek 2024, 17.773 vertrekkers uit 205 organisaties (2025).
47%. Bijna de helft van de medewerkers die de sector verlieten, wil terug naar de oude werkgever. 63% wil ooit terug naar de sector. Bron: RegioPlus, verdieping uitstroomonderzoek 2022.
14%. Slechts 14% van de vertrokken zorgmedewerkers raadt anderen aan om bij de oude werkgever te gaan werken. Ongeveer vier op de tien raden het af. Bron: RegioPlus, verdieping uitstroomonderzoek 2022.
27%. Ruim een kwart van alle nieuwe zorgmedewerkers is een herintreder: in 2022 waren dat 43.000 van de 175.000 nieuwe werknemers, in 2024 lag het aandeel op 27%. Bron: CBS (2023) en AZW, kwartaalupdate (2025).
€ 388 tegen € 32.582. Het vertrek van een verzorgende kost € 32.582. Het afscheid zelf (exitgesprek, administratie, afscheid) is daarvan € 388. Bron: Utrechtzorg en Berenschot (2024).
Wat het onderzoek verder laat zien
Ruim vier van de vijf sectorverlaters zeggen dat de werkgever iets had kunnen doen: slechts 18% zegt "niets". 26% was gebleven bij meer erkenning en waardering, 24% bij meer ontwikkelmogelijkheden, 16% bij betere communicatie. Bron: Nivel voor RegioPlus (2024).
Het netwerk is het belangrijkste wervingskanaal: een op de vijf vertrekkers werd voor de nieuwe baan benaderd, meestal via het eigen netwerk (47%). Elke oud-collega is een knooppunt in dat netwerk. Bron: RegioPlus (2022).
Een kwart van alle ex-zorgmedewerkers, in theorie zo'n 240.000 mensen, staat open voor terugkeer bij een passende baan. Onder de 50 jaar is dat een op de drie. Bron: PFZW, onderzoek onder 2.800 ex-medewerkers (2022).
Jaarlijks vertrekt 20% van de zorg- en welzijnsprofessionals bij hun werkgever en ruim 8% verlaat de sector volledig. Bron: Nivel voor RegioPlus (2024).
Slechts 55% van de Nederlandse organisaties houdt de vertrekredenen van uitstromend personeel bij; 10% doet dat voor specifieke groepen. Bron: Universiteit Utrecht en SER Diversiteit in Bedrijf, via UWV (2023).
42% van de vertrekkers zegt dat de organisatie het vertrek had kunnen voorkomen; 36% sprak met niemand voordat ze besloten op te zeggen. Bron: Gallup (2024).
In Noord-Nederland bleef 86% van de vertrekkers met een nieuwe baan in zorg en welzijn werken; ruim 60% van wie de sector verliet, overweegt terug te komen. Bron: ZorgpleinNoord (2023).
Wat dit betekent voor jouw organisatie
Elke vertrekker is een toekomstige collega, een verwijzer of een criticus. De cijfers zeggen dat bijna de helft terug wil, terwijl maar een op de zeven ambassadeur is. Dat gat is offboarding. Sibi Offboarding maakt van het afscheid een reis: de overdracht is geregeld, de waardering van collega's wordt verzameld en gebracht, het exitgesprek levert feedback die je vastlegt en gebruikt. Daarna blijf je verbonden, zodat de deur openstaat als iemand terug wil.
Zo gebruik je deze cijfers
Open met 85% (de vertrekker blijft in de sector). Maak het persoonlijk met 47% (wil terug naar ons) en 14% (is ambassadeur). Sluit af met de kosten: een goed afscheid kost een fractie van een vertrek. Eén terugkeerder bespaart de hele € 30.000 nog een keer.
Kanttekeningen
"85%" is een optelling van twee categorieën uit de factsheet. "Verwacht terug te keren" is een intentie, geen gedrag. De herintredercijfers van CBS gaan over terugkeer in de sector na minstens een jaar afwezigheid, niet per se bij dezelfde werkgever. De verdiepingscijfers van RegioPlus komen uit 2019 tot 2021.
Laatst gecontroleerd: september 2026.